‘Gezellig’ samen fietsen

Nu ik weer wat beter in conditie ben, durf ik weer met mijn vriend te gaan fietsen. We hebben elkaar bijna achttien jaar geleden ontmoet op de koers. Mijn vriend (in de rest van dit verhaal afgekort tot R.) reed niet onverdienstelijk bij een van de betere clubploegen. Hij werkte fulltime en won dat jaar een stuk of drie criteriums. Ik klooide eigenlijk maar wat aan. Ik startte weleens in een wedstrijd en werd er meestal door Van Moorsel en consorten binnen vijf rondes al afgereden. Ik had werkelijk geen idee hoeveel en hoe je voor wielrennen moest trainen.

Toch gingen we toen weleens samen fietsen. Ik kan me daarvan echter alleen maar de momenten herinneren dat ik al verrot zat en R. nog een ‘extra lusje’ wilde maken. Hulde voor zijn discipline, boe voor mijn lapzwanserigheid.

Nu durf ik het wel weer aan om met hem te gaan fietsen. Mijn conditie (of eigenlijk vermogen om af te zien) en discipline zijn beter dan toen. Zijn conditie en discipline zijn minder dan toen. Zo’n trainingsritje is dan toch goed te doen? Dan zijn er toch geen dingen meer waar je je aan kunt ergeren, toch? Toch?

Wat was het warm. En wat waaide het hard. Gelukkig kon ik bij R. in het wiel. Maar er bleef een vliegje hangen in zijn keel. Een bidon met water bood uitkomst: beetje gorgelen en dan het water uitproesten en weg is de vlieg. Ik ben niet vies van hem, maar zo’n water-spuugdouche had echt niet gehoeven. Proost.

Wat ook niet had gehoeven was de bijzondere route. Voor Zevenbergschen-Hoek gingen we linksaf bij de rotonde. Een heerlijke asfaltweg met een aardig viaductje. Maar wat deed ‘ie daarna: hij sloeg linksaf de Hoge Zeedijk op. Daar liggen kilometers kasseien en die vind ik alleen maar leuk als anderen eroverheen fietsen. R. vindt die ondingen geweldig (bij WTC Hank weten ze dat inmiddels ook). Bovendien kwam de wind plotseling uit allerlei onhandige richtingen.

Ik zag het achterwiel van R. bij me vandaan kruipen. Uiteindelijk zat ik op een flink gat en werd ik overspoeld door zelfmedelijden. Een paar kilometer en interne vervloekingen later, draaiden we de glad geasfalteerde Achterdijk op. ‘Wat was dat nou weer voor midlifecrisisactie?’ snauwde ik hem toe. Maar daar had het volgens hem niets mee te maken. Hij had zich gewoon vergist in de dijk. We hadden niet deze, maar de volgende links moeten gaan. Nou, vooruit dan.

Tegen de twee uur liepen mijn benen een beetje vol. Dat kwam omdat er vandaag voor het eerst ook sprintinterval op het programma stond. Vijf keer twintig seconden maximaal, met tussendoor twee minuten rust. Dat klinkt gemakkelijk, dat is het ook, totdat je na de vijfde krachtsexplosie vermoedt dat je bovenbenen twee keer zo dik zijn geworden. Ik vond het dus tijd om naar huis te gaan. R. was het daar wel mee eens, maar hij had weer een ‘dingetje’: hij wilde niet langs dezelfde weg terug naar huis. Zucht.

Ik heb R. overigens niet gevraagd zijn ervaringen van deze ochtend op papier te zetten. Ik vrees dat zijn verhaal veel langer zal zijn.

 

 

1 Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *